Nieuwsflits

Schaatsen onder het oog van god

geplaatst op: 14-01-2015
Op 5 januari hield neerlandicus Bas Jongenelen op De Nassau een lezing over winterlandschappen en religiositeit.

Wie het Rijksmuseum binnengaat en een schilderij van Hendrick Avercamp ontwaart, ziet een oer-Hollands tafereel: een winterlandschap en heel veel ijspret. We vinden het mooi of niet, want meer dan een esthetisch oordeel kennen we niet. De schilderijen roepen hooguit een verlangen op naar ouderwetse winters, als het kan een Elfstedentocht met warme chocomel en snert en heel veel gezellige orkestjes.

Iedereen die naar de lezing van Bas Jongenelen heeft geluisterd, snapt dat deze invalshoek te beperkt is voor een goed begrip van zeventiende-eeuwse wintertaferelen. We moeten terug naar de middeleeuwen om een beeld te krijgen van de ideeën achter deze schilderijen. In de middeleeuwen werd er niets geschreven of afgebeeld zonder symbolische waarde. Die waarde werd bepaald door het geloof en dat was voor iedereen het katholieke. Een schilderij gaf nooit alleen een weergave van de werkelijkheid, de werkelijkheid werd gestileerd en moest aanzetten tot bezinning. `Een middeleeuwer was daarin opgevoed,` zei Jongenelen, en begreep zonder uitleg waarover hij moest nadenken, een zeventiende-eeuwer ook nog, maar wij niet meer.`

Wie met deze wetenschap nog eens naar die oude winterschilderijen kijkt, ziet dat er opvallend veel beelden steeds terugkomen. Er is vaak een wak, een vuurkorf, een oude man en er zitten kraaien in kale bomen. Rijk en arm schaatst door elkaar heen, ook jong en oud, paren zwieren arm in arm en dat is niet zomaar toevallig. Een wak is het symbool voor gevaar en degene die erin glijdt zoekt de ellende op. Een ouder echtpaar staat voor echtelijke trouw. De vuurkorf heeft een tweeledige betekenis: zorg ervoor dat je er warmpjes bijzit, letterlijk door op tijd hout te sprokkelen en figuurlijk door je zaken voor elkaar te hebben. De oude man, de kraaien en de kale bomen staan voor het jaar dat voorbijgaat, maar ook voor het sterven en zetten aan tot nadenken over hoe je leeft. Doodgaan was namelijk de overgang naar een nieuw leven, maar ten overstaan van god moest je eerst verantwoording afleggen van hoe je geleefd had. Afhankelijk daarvan dreigde de hel of lonkte de hemel.

‘En als je goed kijkt,’ merkt Bas Jongenelen op, ‘zie je op sommige schilderijen vanuit de hemel een gouden flits, alsof god wil zeggen: maak plezier!’ Het ijs bood ook toen al vertier en daar mocht je gelukkig van genieten. Dat gold voor arme en rijke mensen, die tijdens het schaatsen heel even op voet van gelijkheid verkeerden.