Nieuwsflits

Stinkende vissaus: het Romeins alternatief voor patatje oorlog

geplaatst op: 23-01-2015
Ook dit jaar hield Fik Meijer een lezing voor de leerlingen van vwo-5 als voorbereiding op hun Romereis. Hij is emeritus hoogleraar klassieke talen en klassieke geschiedenis en ontving in 2005 de Oikos publieksprijs, een prijs waarmee een classicus wordt onderscheiden voor de wijze waarop hij de oudheid onder de aandacht van een groot publiek brengt.

De centrale vraag was deze keer: Hoe is het mogelijk dat een klein stadje aan de Tiber uitgroeide tot een immens rijk dat zijn naam kreeg, het Imperium Romanum, en zich uitstrekte van Midden-Engeland tot de woestijnen in Afrika?
Toen volgde er een verhaal dat zich nauwelijks laat samenvatten, maar het ging over Rome, over Patriciërs en landrotten, over Carthago, over de vloot die er eerst niet en toen wel was, over het nieuwe wapen de enterbrug, over keizers, hun veroveringen en triomftochten, over het Rome van de allochtonen en de autochtonen en hoe het onder keizer Augustus uitgroeide tot een stad met een miljoen inwoners en een haven op geringe afstand.

Al die mensen moesten gevoed, gelaafd en vermaakt worden. Per jaar was er alleen al 200.000.000 kilo graan en 250.000.000 liter onversneden wijn nodig. Olijfolie gebruikten de Romeinen voor de lichaamsverzorging, de verlichting en het bereiden van eten. Voor vermaak voorzag Rome het Colosseum van tijgers, olifanten, leeuwen, krokodillen en andere uitheemse dieren die tegen mensen vochten en met elkaar. Aquaducten voerden water aan voor de consumptie en de badhuizen. De rijke Romeinen wilden ook nog eens hun status tonen met kunst, het liefst Griekse. Kopieën werden evenzeer gewaardeerd als originelen, waardoor ook in kunstobjecten een enorme handel ontstond.

Rome was niet bepaald zelfvoorzienend. Om aan voldoende middelen te komen legden de machthebbers de provincies belastingen op die in geld of in natura betaald konden worden, waardoor er gigantische geld- en goederenstromen richting Rome gingen. Voor de producten was het vervoer per schip het goedkoopst en duizenden schepen leverden ladingen graan, wijn en olie, vaak in stenen kruiken.
Hergebruik was nog niet aan de orde, het was goedkoper de kruiken kapot te gooien. De resten zien we nog steeds op de Monte dei Cocci, een berg van scherven van 100 bij 60 meter en ook nog eens 15 meter hoog. De lagen opeengestapelde potscherven bieden een prachtig beeld van wat er in een bepaalde tijd geïmporteerd werd en waar de producten vandaan kwamen.

Rome had ook behoefte aan lekkernijen. Waar wij nu snakken naar een patatje oorlog, was de Romein dol op vissaus. De Middellandse Zee bood nog vis te over. Voor de saus werden tonijnen, dorades, zwaardvissen, inktvissen en alles wat er maar in de netten kwam, in grote putten gegooid. Op de bodem lag zout en elke vislaag werd voorzien van een nieuwe hoeveelheid zout,waarna er wijn overheen ging. Dat alles moest maanden gisten tot er een drab ontstond die slaven met grote stokken dooreen roerden. Als die drab flink stonk, was de saus klaar. Alleen al in Pompeï verkochten tien winkels deze delicatesse.

Fik Meijer heeft ons met een indrukwekkende hoeveelheid feitenkennis laten zien hoe het oude Rome een miljoen mensen in leven hield en hun vermaak bood. Hij sprak de hoop uit dat onze leerlingen straks op het Forum Romanum, in het Colosseum en bij andere klassieke restanten de historische context kunnen achterhalen.